werkgroep veldgewas

De naam Veldgewas stamt uit het Limburgs volkslied (1909, tekst Gerard Krekelberg). Couplet nummer twee heeft het over weeld’rig sappig veldgewas / kost’lijk groeit en bloeit. De verwijzing zal duidelijk zijn, het contrast wellicht wat minder. Hint: pal tegenover ons veldgewas bevinden zich gazons, tulpen en dorre dennenbossen. Met andere woorden: wat maakt poëzie in het Limburgs heel bijzonder, of is het juist een nadeel, de keuze voor de moedertaal?     
onderzoek
Onderzoek. Als hoofdbetekenis geeft de zogenoemde Grote v. Dale, iets vereenvoudigd:  door het verzamelen van gegevens tot een oplossing voor een bepaald probleem komen. 

Dat soort onderzoek wordt bijvoorbeeld in de medische wereld verricht, door politie en geheime diensten. Wij van Veldgewas hebben geen, althans weinig problemen die opgelost kunnen worden. Mede daarom is de volgende omschrijving van onderzoek  (ook v. Dale) beter: gezamenlijke nasporingen betreffende een zaak. 

Welke zaak zal duidelijk zijn: poëzie in het Limburgs. Gezamenlijk wil zeggen: iedere belangstellende mag meedoen. Speuren en discussiëren. Tussen haakjes: het woord nasporingen wordt momenteel op ons beeldscherm aangeduid als zijnde niet zo gebruikelijk of VERKEERD. Naspeuringen krijgt geen rode potloodstreep van de (welke?) meester. Misschien dat nasporingen wat te veel aan sporenonderzoek doet denken, dat gedoe van mannen in witte haast medische jassen. 
Ons onderzoek is natuurlijk niet te vergelijken met (om maar wat te noemen) natuurwetenschappelijk onderzoek, of onderzoek naar de economische betekenis van literatuur. Het moet speelser. Anders gezegd: het gaat ons niet zozeer om resultaten, maar om meningen. We stellen daartoe vragen, en stoeien wat met de antwoorden.  
 
Eerste vraag: waarom zou je in het Limburgs dichten, in dat door velen geminacht taaltje, zoals Ben van Melick ooit plaagde. Hij was de eerste criticus die zich serieus bemoeide met wat in het Limburgs geschreven werd. 

Taaltje. We zouden dus allereerst de vraag kunnen stellen: waarom schrijven Limburgstalige dichters NIET in het Limburgs? Een eerste reden: als je alleen in het Limburgs schrijft, beperk je het aantal mogelijke lezers aanzienlijk. Klopt, maar datzelfde geldt voor het Nederlands. Die taal wordt begrepen door 0,3 procent van de wereldbevolking. Met Engels scoor je bijna twintig procent, aangezien er anderhalf miljard mensen zijn die Engels kunnen lezen. Kleine vraag: wat heb je aan een lezer in een gehucht in India, in ... Nou ja, je verdient er misschien wat aan. Ook daar dromen Limburgers van die in het Nederlands schrijven. Maar wat maakt het helemaal uit of je van een dichtbundel honderd exemplaren verkoopt of 300 (wat al veel is in Nederland)? Je verdient wel wat aan voorlezen.
 
Een volgende reden. Nogal wat mensen roeptoeteren dat het kwatsj is in het Limburgs te schijven, want je hebt een beperkte woordenschat. 

Klopt, maar maakt dat wat uit voor poëzie? In de vorige eeuw beweerde ik dat je met 3000 woorden uit het Mheers, Neers of Neerbeeks de Nobelprijs kunt winnen, als je maar weet hoe je ze zodanig achter mekaar zet dat de wereld ontroerd of verbaasd wordt. Ik heb dat aantal inmiddels teruggebracht tot 1800 – en met duizend verschillende woorden kun je ook een eind komen. In elk geval onsterfelijk worden. Ik noteer nog dat het Limburgs natuurlijk veel en veel meer woorden heeft dan we denken. Al die synoniemen bijvoorbeeld. We zouden kunnen afspreken dat landj twee meervouden heeft, die allebei wat anders betekenen. Frits Criens was het hier helemaal mee eens. We vinden: lenjer zijn landerijen, en lenj: landen, staten. Bovendien: heeft het Limburgs wel minder woorden dan het oude Grieks? Hoeveel woorden hadden Plato, Socrates tot hun beschikking? Ze worden wel nog steeds voorgeschreven, aan alle universiteiten ter wereld serieus genomen, gelezen. We spelen de Griekse drama’s nog steeds. Conclusie: dit argument is kletskoek. 
Voortijdse zielen (een tussendoortje)
Een argument dat je zelden zult horen: ik uit me niet in een dom taaltje. Horen, maar het wordt wel gedacht. Een voorbeeld maar. 
 
In Buun 2008, een jaarboek over Venlo en enge omgeving staat een vers van Noor Roelofs: Limburgs dialect getiteld. Het blijkt over taal te gaan, want hoofdpersoon is een ze. Die ze klinkt als uitgesproken  / door voortijdse zielen. Maar er is hoop: ze groeit nog, “in dorpen en gehuchten.” Dan verschijnt een jongen, die haar woorden gebruikt “waarmee hij goed / iets onnozels kan zeggen / waar hij fel mee kan schelden” (even verder vernemen we nog dat die taal “ongeschikt voor betogen” is. Allez dan, ik wil nog een complete strofe citeren, over de jongen: 
 
En hij merkt niet dat
deze woorden stiekem
worden weggeduwd
door groene boekjes 
en mensen van elders

 
Brandende vraag: waarom zou dat stiekem moeten? Omdat het volkomen onterecht is? Althans: dat vinden wij. En die mensen van elders, waar is helemaal dat elders? Heerlen? Gennep? 
Terug naar de vraag van het waarom wel. Het zal duidelijk zijn dat je niet in het Limburgs hoeft te schrijven als je gelezen wil worden door andere Limburgers. Die kunnen allemaal Nederlands lezen. Polen, Portugezen, Grieken en Hongaren maar ook Nederlandse dichters moeten wel in hun moedertaal schrijven om goed begrepen te worden door buren en kennissen. Er zullen verder geen Limburgse dichters (meer) zijn die het Nederlands niet voldoende beheersen. Met andere woorden: schrijven in het Limburgs is een keuze. Waarom kiezen mensen daarvoor? Het beste antwoord is misschien: DAAROM.

Edoch, leerde ik vroeger: daoveur is nieks gezag, opgefaaid en inne kas gelag. 

Dat willen we niet, integendeel: de poëzie in het Limburgs moet nu maar eens uit de kast komen. Reageer.

Colla Bemelmans reageerde daarom meteen. Hij liet weten dat Hendrik van Veldeke, eine Belsj, al in het plat schreef en wel – formuleert Colla: in Maastrichts getint Limburgs. Hij vindt: Es dae miensj al in ’t plat sjrieëf is dat ’n rae te mieë vuur ós óm ouch in ’t plat te sjrieve.

Geen goede reden, want er was in de tijd van Veldeke (eind twaalfde eeuw) nog geen eenheidstaal. We weten dus niet of hij anders misschien in het Hollands geschreven zou hebben.

Biekómmend is nog dat d’r al zoeë väöl goods (en sjlechs)  in ’t Frans, Ingelsj of Hollesj gesjrieëve is, dat de leemte aan Limburgs, die laegte, dat laok, doer ós opgevöld mót waere.
Ich geluif neet dat vier ós baeter of sjlechter in ’t plat kinne oetdrökke. D’r zint wuurd en zinne die baeter in ’t Hollesj klinke, angere baeter in ’t plat. Vier kinne in ’t plat aeve good sjrieve uëver doeëdsjtraof, filosofie, incest, weitesjap of poëzie es in ’t Hollesj, neet baeter meh ouch neet sjlechter.


Een interessante opmerking van Colla. Maar meent hij echt dat vandaag of morgen nog een doorwrocht wijsgerig werk in het Limburgs verschijnt? 

Wim Kuipers, mei 2012
COOKIES
Deze website maakt gebruik van cookies, in verband met de werking van social media en Google Analytics.
Zo kunnen wij de site steeds verder verbeteren. Er worden geen persoonlijke gegevens opgeslagen.

Wilt u cookies toestaan?