werkgroep veldgewas

vertalen
Veldgewas heeft vanaf het begin vertalingen (in het Limburgs natuurlijk) gepubliceerd. Als eerste een prachtige vertaling of herschepping van het gedicht Heimwaeg van Juan Ramón Jiménez, 1881-1958, Nobelprijs 1956), door Guus Peters. Geen strenge vertaling, want hij noteerde: een vertaling NAO Jiménez; daar moeten we nader op ingaan, straks.  
 
Eerst nu de vraag: wat zou (kan) de zin zijn van vertalen in het Limburgs? En dan met name het vertalen van poëzie. Het zal duidelijk zijn dat niemand de complete Reve in het Weerts om gaat zetten, omdat de volksschrijver daar een paar jaar gewoond heeft. Wedervraag: waarom niet, aangezien 10.000 pagina’s wereldliteratuur in het Limburgs de Limburgse taal en letteren zeer vooruit kunnen helpen. Graag reacties. 
Maar laten we verstandig zijn: vertalen van wat dan ook in het Limburgs heeft weinig praktisch nut. Elke Limburger die heim Limburgs geleerd heeft kan ook Nederlands begrijpen. Beter soms - helaas. Het zal daarom duidelijk zijn dat romans, recepten, handleidingen, historische werken niet per se in het Limburgs vertaald hoeven te worden. 

Poëzie is een ander verhaal. Over vertalen van gedichten heb ik een tamelijk uitgesproken mening, zegt Guus Peters, die vertaler van beroep was. “Het kan in strikte zin niet, en misschien moet het daarom juist geprobeerd worden, een paradox vaak geciteerd door de voorzitter van het NGV (Nederlands Genootschap van Vertalers). Soms lijkt het wonder dan toch nog te lukken, maar misschien niet heus.”
 
Een wonder? Laten we daar niet te lang bij verwijlen. Misschien moeten we eerst vertalen definiëren. Normaal gesproken is dat het overzetten van de brontaal (waarin een gedicht geschreven is) in een andere, afwijkende taal. Daarom wordt overal ter wereld Chinese, Japanse, Arabische en Poolse poëzie vertaald.
Maar waarom zou je een Nederlands gedicht in het Limburgs vertalen - en omgekeerd? Wie weet geldt dat ook voor het vertalen van een Duits gedicht in het Limburgs, menen enkele lezers van Veldgewas.
Guus Peters zegt dat "vertalen van gedichten – mogelijk of niet – elementen kan hebben van een spel of sport, met meer of minder ernst bedreven."
Het gaat dan niet zozeer om de waarde, de boodschap voor mijn part van het oorspronkelijke gedicht, nee: de sport is dan, meen ik: kijken wat je met het Limburgs kan. 

Even een tussendoortje. Limburgs (dialect) en de Nederlandse standaardtaal staan zo dicht bij mekaar, dat dichters vaak hun eigen verzen vertalen. Mag dat nog vertalen genoemd worden? Of moeten we hier spreken van iets als bewerken? Ik geef als voorbeeld een gedicht van een Groninger, in het Gronings, dat eerder in het Nederlands verschenen is.  

Hier komt het. 

Menskenvreters

Ome Kobus knuppelde bie Koakhörn op t wad
zien leste zeehond dood, waste zien handen
ien t zolde wotter en van opbrengst ging e noar
kroug achter diek en drukte wat heldere jonkjes
achterover.

Aan toog haar e t hoogste woord en hai draaide
punten van zien snor omhoog en zette pet schaif
op ain oor en nog vol van homzulf en zien joagerstalent
stapte hai op bakfiets om noar hoes ien Paiderboeren te goan.

        Hai kwam noeit aan en zien bakfiets lag ien sloot.

        gainain het ome Kobus nog zain
        en vertel nou nait dat zeehonden
        nait gevoarlek binnen



        Man-eter

        Ome Nico knuppelde bij Kaakhorn op het wad
        zijn laatste zeehond dood, waste zijn handen
        in het zoute water en van de opbrengst ging hij
        naar de kroeg achter de dijk en drukte wat heldere
        jonge borrels achterover.

        Aan de toog had hij het hoogste woord en hij draaide
        de punten van zijn snor omhoog, zette de pet scheef
        op één oor en nog vol van zichzelf en zijn jagerstalent
        stapte hij op de bakfiets om door de polder naar huis te gaan.

        Hij kwam nooit aan en zijn bakfiets lag in de sloot.

        Sinds negentienzestig heeft niemand
        Ome Nico nog gezien en zeg nou niet dat
        zeehonden niet gevaarlijk zijn voor mensen.



        Lammert Voos (1962)

Het spijt me, maar ik vind de verschillen zo gering, dat ik de noodzaak van deze twee versies niet inzie. Het is veel meer overzetten dan her- of vertalen: je bent aan de andere kant van de rivier, maar het landschap is precies hetzelfde. 
Interessant in dit verband is een opmerking van de Friese schrijfster Jetske Bilker, die onder meer enkele Harry Potters in het Fries vertaalde. Haar Friese boekenweekgeschenk (2004) werd in het Nederlands vertaald. In Filosofie Magazine (juni 2012, p. 33) vroeg ze zich hardop af of ze dat niet beter zelf had kunnen doen. Lastig, vond ze. En dan de reden daarvan: Je gaat toch weer herschrijven - een schrijver kan zijn eigen tekst nooit met rust laten."
Vertalen is hier dus: herschrijven in een andere taal, maar: van eigen werk. Dan heb je ook weinig met nauwkeurigheid te maken, de nauwkeurigheid die echte vertalers na moeten streven, vindt Guus Peters. "Mijn grootste inspanning bij het vertalen van gedichten geldt vaak het vinden van de minimale afwijkingen van de brontekst,", zegt hij, "want die alleen lijken mij gemotiveerd.” Hij wil dan die afwijkingen “zo goed mogelijk compenseren. Ik heb het dan over wat m.i. geldt voor een echte vertaling; je hebt ook vertaalvormen die zich bewust verder van de brontekst verwijderen, tot de pastiche toe.”
Het gaat mij om dat zich bewust verwijderen: de dichter wil meer met het oorspronkelijke gedicht dan dat zo adequaat mogelijk weergeven in een (wat) andere taal. 
Peters vervolft: "In die zin vind ik jouw Rilke-vertaling niet echt een vertaling; het is daarvoor te veel eigen gedicht, dat Rilkes poëem navolgt. Daar is niets tegen, maar dan zou ik het aanduiden als "naar Rilke". Ik moet eerlijk zeggen dat ik sommige van jouw afwijkingen van de brontekst trouwens niet doorzie of niet op waarde kan schatten, en ook niet alle woorden ken." 
Persoonlijke noot
Ik heb in mijn jaren bij Dagblad De Limburger twee maal iemand met wie ik zoals dat heette telefonisch in gesprek was de vraag gesteld: zouden we ook Limburgs kunnen praten? De reden was: ik merkte dat er gejargond werd. De eerste keer ging het gesprek over onderwijs, de tweede maal over een grote zorginstelling. Allebei de keren begreep ik de andere kant een stuk beter. Dat kan voor een deel aan mij gelegen hebben, omdat ik geen voortgezette opleiding gevolgd heb in overheidsnederlands.  Ik claim die term nu maar (bedacht: 030512). Het is een Nederlands dat ontstaan is uit angst en arrogantie. Een zeer vreemde combinatie. Arrogantie van: wij zullen toch wel weten wat goed Nederlands is en wat niet, wij zijn de taal. Maar een laag dieper zat het besef: zijn wij wel van die taalmeesters? Eigenlijk niet. Dus gaan we dat maskeren door een eigen taal te maken.  Exact hetzelfde verschijnsel als de dichter die zijn Nederlands niet vertrouwt en daarom in het Maasloos gaat schrijven.  Tweede term, en er komt geen rode streep onder:  Maasloos.  
reacties
Veldgewas kreeg verschillende opmerkingen over vertalen van gedichten in het Limburgs. Zoals deze van Paul Weelen: 
 
Uvverzetse of nit?
Jidderinne mós wisse wat e deet.
Went inne zin  en sjpas drin hat um plat tse sjrieve (al is 't mar ee lies-je vuur waar tse hoale of ing jesjiechte of ing buut) dan mós e dat doeë en dan ving iech dat angere dat mósse waardere en plaatsj jeëve.
Went angere werm mene dat ze nit jód jenóg kanne sjrieve of jet ezoeë sjun vinge dat ze dat werm in 't plat wille umzetse, dan mósse ze dat besjtimd óch doeë. Doa weëd ezoeëvöal umjezatse (óch noa 't Duutsj en 't Hollendsj en zoejaar noa 't Engelsj), waul lu ziech jraad wille versjtoa, wille bijenee kómme um uvver denemlieje dinger tse kanne noadinke. Doa zits jet drin van oenieverzel sjrieve. Dat besjteet, mar mieëtstens besjteet 't oes regionaal sjrievere die 't uvver jroeëse zaache hant: Marquez, Dostojewski, Shakespeare, Kafka, Böll en zoeë wieër.
 
Iech ving nit dat doa inne pries vuur mós kómme of dat dat benoadrukt mós weëde. iech ving 't tsoem baisjpiel sjlim dat in 't Mestreehcs koalieg nog jet origineels jesjraeve weëd. Van musical, noa toneel, noa lidje, noa bóch, alls is uvverjezatse oes ing anger sjproach. Dat is doch jeweun sjaad en went jet origineels jesjraeve weëd, dan zient en hure ze 't nit ins.
Sjrievere die jet origineels óp papier wisse tse zetse, die mósse vier in iere haode en óp inne zokkel zetse.
Doa kan nit jenóg passere um jet mit 't plat tse doeë, inne mitjliederdaag van Veldgewas? Dat mósse d'r Wim en d'r Har zelver wisse. Evver: doa zunt mar ee besjtimd antsaal lu die wille kómme. Wents te noen tse vöal jees organisere, woa mósse de lu dan hin? Mit anger wöad los ós nit alles jon herhale en 't besjtoande kanibalisere.

Jrus-jer,
d'r Paul
COOKIES
Deze website maakt gebruik van cookies, in verband met de werking van social media en Google Analytics.
Zo kunnen wij de site steeds verder verbeteren. Er worden geen persoonlijke gegevens opgeslagen.

Wilt u cookies toestaan?